| 1
| O God, zo waardig mijn gezangen, |
| Zwijg niet, laat mij mijn recht erlangen. |
| De boze, die bedrog durft plegen, |
| Staat, wars van deugd, mij bitter tegen; |
| Hij heeft zijn mond wijd opgedaan, |
| Mij met een valse tong verraan. |
| 2
| Z' omringden mij met boze woorden, |
| Die mij, als priemen, 't hart doorboorden; |
| Ik werd op 't allerfelst bestreden, |
| Verdrukt, mishandeld tegen reden. |
| 'k Heb voor mijn liefde haat behaald; |
| Ik bad, maar 'k werd met vloek betaald. |
| 5
| Laat zijne kinderen als wezen, |
| Zijn vrouw als weduw' hulploos vrezen. |
| Laat hier en ginds zijn kindren zwerven, |
| Steeds beedlen en de nooddruft derven, |
| Die 't huisgezin, gesmaad, gevloekt, |
| Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt. |
| 11
| Laat dien, om al zijn handelingen, |
| Tot in zijn hart, als water, dringen. |
| Als olie, rijkelijk geschonken, |
| En door de beendren ingedronken. |
| Dat hem die vloek zijn deksel geev', |
| En als een gordel aan hem kleev'. |
| 12
| Dit loon krijg, elk van 's HEEREN handen, |
| Die zo goddloos mij aan durft randen, |
| En met zijn lastertong mij doden! |
| Maar Gij, o HEER', o God der goden, |
| Dat Uwe hand mij heil bestell', |
| Doe om Uws Naams wil aan mij wel! |
| 13
| Uw gunst is groot, zij is bestendig. |
| Verlos mij dan, ik ben ellendig, |
| Nooddruftig, 'k voel mijn kracht verbroken, |
| Mijn hart met wond op wond doorstoken. |
| Ik ga gelijk de schaduw heen, |
| Wanneer de zon snelt naar beneen. |
| 15
| Al ben ik met die smart beladen, |
| Nog gaan zij voort met mij te smaden, |
| Met mij, al schimpende te groeten. |
| Zij schudden 't hoofd, die mij ontmoeten. |
| O HEER', help mij, die U verbeidt, |
| Naar Uwe goedertierenheid. |
| 16
| Opdat zij weten en belijden, |
| Dat Uwe hand mij wil bevrijden, |
| Dat Gij, o HEER', mijn recht doet gelden. |
| Laat hen dan vloeken, lastren, schelden. |
| Maar zegen Gij mij, o mijn God; |
| Gij zijt mijn erfdeel en mijn lot. |