| 1
| Welzalig zijn d' oprechten van gemoed, |
| Die, ongeveinsd, des HEEREN wet betrachten; |
| Die Hij op 't spoor der godsvrucht wandlen doet; |
| Welzalig, die, bij dagen en bij nachten, |
| Gods wil bepeinst, en Hem als 't hoogste goed, |
| Van harte zoekt met ingespannen krachten. |
| 2
| Die, wars van 't kwaad, niet in de zonde leeft; |
| Maar zijnen gang bestiert naar 's HEEREN wetten. |
| Gij, grote God, die ons bevelen geeft, |
| Gij eist, dat w' op Uw woord gestadig letten, |
| En dat w' ons hart, aan Uwen wil verkleefd, |
| Geduriglijk op Uwe wegen zetten. |
| 4
| Ik zal, oprecht van hart, Uw Naam, o HEER', |
| Gestaag den roem van Uwe grootheid geven, |
| Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer |
| Van 't vlekkloos recht, door Uwe hand beschreven. |
| 'k Zal Uw geboon bewaren tot Uw eer; |
| Verlaat mij toch niet ganslijk in dit leven. |
| 5
| Waarmede zal de jongeling zijn pad, |
| Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren? |
| Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad. |
| U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op U staren; |
| Laat mij van 't spoor, in Uw geboon vervat, |
| Niet dwalen, HEER' ; laat mij niet hulploos varen. |
| 6
| 'k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd, |
| Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden. |
| Gij zijt, o HEER' , gezegend; leer Uw knecht |
| Door 't Goddlijk woord, een helder licht bevonden, |
| En door Uw Geest, al d' eisen van Uw recht; |
| Zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden. |
| 8
| Ik zal, o God, bepeinzen Uwe wet, |
| In 't onderzoek van Uw bevelen waken; |
| Terwijl mijn ziel op Uwe paden let. |
| In Uw geboon zal zich mijn geest vermaken, |
| En, daar ik hulp verwacht op mijn gebed, |
| Uw heilig woord vergeten, noch verzaken. |
| 9
| Doe bij Uw knecht weldadigheid, o HEER', |
| Opdat ik leev', Uw woorden moog' bewaren, |
| En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer', |
| Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren; |
| Dat mijne ziel de wondren zie en eer', |
| Die in Uw wet alom zich openbaren. |
| 10
| Ik ben, o HEER', een vreemdling hier beneen; |
| Laat Uw geboon op reis mij niet ontbreken; |
| Daar mijne ziel, omringd door duisterheen, |
| Zo dikwijls van verlangen is bezweken, |
| Om U te zien ter hoge vierschaar treen, |
| Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken. |
| 14
| Och, dat ik klaar en onderscheiden zag, |
| Hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen, |
| Uw wondren recht betrachten dag aan dag! |
| Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen; |
| Ai, richt mij op, verander mijn geklag; |
| Wil, naar Uw woord, mij gunstig onderschragen. |
| 24
| 'k Zal Uw geboon, die ik oprecht bemin, |
| Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten; |
| Ik reken die mijn allergrootst gewin; |
| Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten; |
| Ik heb ze lief en zal met hart en zin, |
| Al 't geen Gij ooit hebt ingezet, betrachten. |
| 25
| Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht, |
| Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven; |
| Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd, |
| Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven; |
| Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd, |
| Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven. |
| 26
| 't Hovaardig volk heeft mij op 't felst bespot; |
| 'k Ben echter niet van Uwe wet geweken; |
| Ik dacht, o HEER', aan hun rampzalig lot, |
| En Uw gericht, van ouds af reeds gebleken, |
| Hoe kort van duur is al het aards genot! |
| 'k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweken. |
| 28
| 'k Heb, HEER', des nachts aan Uwen Naam gedacht, |
| Uw wet bewaard, Uw deugden niet vergeten; |
| Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebracht, |
| En zoveel tijds heb ik met vreugd gesleten, |
| Omdat ik Uw bevelen nam in acht, |
| En die bewaard' in een oprecht geweten. |
| 30
| Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan, |
| Mijn voet gekeerd tot Uw getuigenissen, |
| En mij gehaast, die paden in te slaan, |
| Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen; |
| 'k Heb niet vertraagd, om op die effen baan, |
| Het doel van Uw geboden niet te missen. |
| 32
| Ik ben een vriend, ik ben een metgezel |
| Van allen, die Uw Naam ootmoedig vrezen, |
| En leven naar Uw Goddelijk bevel. |
| O HEER', hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen! |
| Gij doet op aard, aan alle schepslen wel; |
| Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen! |
| 33
| Gij hebt veel goeds bij Uwen knecht gedaan; |
| Hem, naar Uw woord, gered uit al zijn noden; |
| Leer mij, o HEER', een goeden zin verstaan, |
| En wetenschap, der dwazen waan ontvloden; |
| Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan, |
| Naardien ik heb geloofd aan Uw geboden. |
| 34
| 'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in; |
| Maar nu, geleerd, houd ik Uw woord en wegen. |
| Wat zijt Gij goed! Wat schenkt Uw mensenmin |
| Aan ieder, die U vreest, al milden zegen! |
| Leer mij Uw wet in haren rechten zin, |
| En maak mijn hart tot Uw geboon genegen. |
| 37
| Uw hand heeft mij gemaakt en toebereid; |
| Ai, maak mij ook verstandig in Uw wetten; |
| Zo leer ik Uw geboon en heiligheid. |
| Al wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten, |
| Verheugd, dat ik, door Uwe hand geleid, |
| Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mocht zetten. |
| 38
| Ik weet, o HEER', dat Uw gerichten zijn |
| Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken |
| Uit enkle trouw. Och, dat Uw gunst verschijn', |
| Om mij uit angst en nijpend leed te rukken! |
| Troost mij, Uw knecht, die nu angstvallig kwijn; |
| Mij is die troost beloofd in ongelukken. |
| 40
| Dat ieder, die U vreest, zich tot mij keer'; |
| Die kundig is in Uw getuigenissen, |
| Maak, dat mijn hart oprecht Uw lessen eer'; |
| Dat niets die ooit uit mijne ziel moog' wissen, |
| Opdat ik niet beschaamd word'; laat, o HEER', |
| Laat mij die gunst op aarde nimmer missen. |
| 41
| Mijn ziel bezwijkt, zij is gans afgemat, |
| Daar z' aan Uw heil met al haar lust blijft hangen, |
| Waarop Uw woord mij hoop gegeven had. |
| Mijn ogen zijn bezweken van verlangen |
| Naar 't geen mij was beloofd, terwijl ik bad: |
| "Wanneer, o God, zal ik Uw troost ontvangen?" |
| 42
| Ik ben, helaas, een leedren zak gelijk, |
| Die al zijn vocht heeft in den rook verloren; |
| Hoewel ik niet van Uwe wetten wijk. |
| Hoelang blijft nog Uw knecht dit leed beschoren? |
| Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk', |
| Hen rechten, die mijn rust, uit wrevel, storen? |
| 44
| Zij hebben mij bijkans op aard' vernield, |
| Maar ik bleef Uw bevelen dierbaar achten. |
| Ai, beur mij op; laat mij, met moed bezield, |
| Weer leven, en op Uwe goedheid wachten; |
| Dan zal ik steeds, daar mij Uw trouw behield, |
| 't Getuigenis van Uwen mond betrachten. |
| 45
| O HEER', Uw woord bestaat in eeuwigheid, |
| Daar 't hemelheir zich schikt naar Uw bevelen; |
| In Uwe trouw, zo gunstig toegezeid, |
| Zal elk geslacht, ja ,t eind der eeuwen delen; |
| Deez, aard' is hecht door Uwe hand bereid; |
| Haar stand blijft vast, al wisslen haar tonelen. |
| 47
| 'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord, |
| Want ik ontving door Uw bevelen 't leven, |
| 'k Ben d' Uwe, HEER'; geleid mij ongestoord; |
| Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven; |
| Ik heb met lust Uw wetten nagespoord, |
| En die gezocht, door Uwen Geest gedreven. |
| 53
| Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet, |
| Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren. |
| Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed |
| Bevestigen, in al mijn levensjaren, |
| Dat ik Uw wet, die heilig is en goed, |
| Door Uw gena bestendig zal bewaren. |
| 54
| Ik ben op 't diepst verdrukt; ai, schenk mij, HEER', |
| Vernieuwde kracht, sterk naar Uw woord mijn leven. |
| Merk op in gunst, mijn God, hoe ik U eer; |
| Hoe hart en mond vrijwillig, offers geven; |
| Ai, zie daarop met welgevallen neer; |
| Laat in mijn hart Uw rechten zijn geschreven. |
| 56
| Ik heb voor mij al Uw getuigenis, |
| Ter eeuwig' erv', volvaardig aangenomen, |
| Naardien mijn hart daardoor vervrolijkt is. |
| Ik heb gepoogd, mijn lusten in te tomen, |
| En 't hart geneigd, om eeuwig en gewis, |
| Ten einde toe, Uw wetten na te komen. |
| 57
| 'k Haat ranken, vol van kwaad, en bittre vrucht, |
| Maar ik bemin met al mijn hart Uw wetten. |
| Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlucht; |
| Gij kunt en wilt mijn ondergang beletten; |
| 'k Vertrouwd' op U, en 't blijft nog staag mijn zucht, |
| Om op Uw woord mijn vaste hoop te zetten. |
| 58
| Gij bozen, wijkt, opdat ik steeds 't gebod |
| Van mijnen HEER' nauwkeurig moog' bewaren. |
| Schraag mij naar Uw beloften, o mijn God, |
| Opdat ik leev', U lovend, op mijn snaren; |
| Dat niemand mijn verwachting ooit bespott'; |
| Ai, laat die mij toch nooit beschaamdheid baren. |
| 59
| Wees Gij mijn steun, dan zal ik, vrij van leed, |
| Mij dag aan dag in Uw geboon vermaken. |
| Maar Gij, o HEER', die mij behoudt, vertreedt |
| En stoot hen weg, die Uwe wet verzaken; |
| Want hun bedrog is leugen; 't is gesmeed |
| Tot mijn verderf, maar 't zal hen zelf genaken. |
| 62
| Mijn ogen zijn bezweken, rood geschreid, |
| In 't uitzien naar Uw heil met heet verlangen, |
| Het heil, aan mij rechtvaardig toegezeid; |
| Ai, wis dan toch de tranen van mijn wangen; |
| Doe bij Uw knecht, naar Uw goedgunstigheid; |
| Leer mij Uw wet, dan zal ik troost ontvangen. |
| 64
| 'k Heb Uw geboon, mijn God, dies meer dan goud, |
| Ja, 't fijnste goud, bemind, en Uw bevelen |
| ln alles recht en vlekkeloos geschouwd, |
| Op 't hoogst volmaakt tot in hun minste delen; |
| 'k Heb op geen pad der valsheid mij betrouwd, |
| Maar dat gehaat, hoezeer 't mijn vlees kon strelen. |
| 66
| Ik heb mijn mond begerig opgedaan, |
| Ik heb verlangd, gehijgd naar Uw geboden; |
| Zie, zie mij dan met gunstig' ogen aan, |
| En wees mij nu genadig in mijn noden, |
| Naar 't recht van hen, die, deugdzaam van bestaan, |
| Uit liefde tot Uw Naam van 't kwade vloden. |
| 67
| Maak in Uw woord mijn gang en treden vast, |
| Opdat ik mij niet van Uw paan moog' keren! |
| En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast, |
| Ai, laat het mij toch nimmer overheren. |
| Verlos mij, HEER', van 's mensen overlast, |
| Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren. |
| 68
| Uw aangezicht vertoon, aan Uwen knecht |
| Een vriendlijk oog, een troostrijk liefdeteken; |
| Leer mij den eis van 't altoos heilig recht, |
| Ik stort, bedrukt, gehele tranenbeken, |
| Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt, |
| En zich niet schaamt Uw wetten te verbreken. |
| 71
| Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid; |
| 'k Vergeet in smaad noch armoe Uw bevelen. |
| Uw recht, o HEER', is recht in eeuwigheid; |
| Gij zult aan elk zijn loon of straffen delen; |
| Uw wet, waarin zich steeds Uw glans verspreidt, |
| Kan mij door 't licht der zuivre waarheid strelen. |
| 74
| Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht |
| Verrast, om U mijn schreien te doen horen; |
| 'k Heb op Uw woord gehoopt, en mijn gezicht, |
| Eer nog het uur der nachtwaak was geboren, |
| Den slaap ontroofd, om, naar mijn lust en plicht, |
| De wijsheid van Uw reednen na te sporen. |
| 75
| Hoor, HEER', mijn stem naar Uw goedgunstigheid, |
| En geef mij naar Uw rechten kracht en leven, |
| Zij naadren mij, wier list mijn val bereidt; |
| Zij zijn in 't kwaad, in 't listig kwaad bedreven, |
| En wijken van Uw wet, zo wijd verleid, |
| Terwijl zij zich aan boosheid overgeven. |
| 76
| Maar, HEER', Gij zijt nabij, Gij ziet mij aan; |
| De waarheid is aan Uw geboon verbonden; |
| Ik wist van ouds reeds uit Uw woord en daan, |
| Dat al, wat Gij getuigd hebt, ongeschonden |
| En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan, |
| Gevestigd op onwankelbare gronden. |
| 77
| Zie mijn ellend', o HEER', en help Uw knecht, |
| Want Uwe wet is in mijn hart geschreven; |
| Ai, twist Gij Zelf mijn twistzaak naar Uw recht, |
| Verlos mij, sterk met nieuwen moed mijn leven, |
| Naar 't Goddlijk woord, mij gunstig toegezegd, |
| En mij ten troost in angst en druk gegeven. |
| 78
| Het heil is ver van 't goddeloos geslacht, |
| Dat, gans vervreemd van deugd en reine zeden, |
| Den inhoud van Uw wetten niet betracht. |
| O HEER', hoeveel zijn Uw barmhartigheden! |
| Ai, beur mij op, vernieuw mijn levenskracht, |
| Naar 't Goddlijk recht; verhoor toch mijn gebeden; |
| 79
| 't Getal van mijn vervolgers is zeer groot, |
| Van hen, die mij als weerpartijders haten; |
| Maar 'k wijk van Uw getuignis in geen nood. |
| Ik heb gezien, hoe zij, die U vergaten, |
| Trouwloosheid doen; Gij weet, hoe 't mij verdroot, |
| Als ik hen zag Uw heilig woord verlaten. |
| 82
| Ik haat bedrog en valsheid van gemoed, |
| 'k Heb in mijn hart een gruwel van die zonden; |
| 'k Bemin Uw wet, die mijne ziel behoedt. |
| Ik loof, o HEER', aan Uwen dienst verbonden, |
| U zevenmaal des daags, om al het goed |
| En 't recht, in Uw gerechtigheid gevonden. |
| 84
| Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis; |
| Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen; |
| Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis, |
| Door zijnen smaak, en hart en zinnen strelen; |
| Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is; |
| 'k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen. |
| 87
| Kom mij te hulp; mijn ziel, die U verbeidt, |
| Heeft Uw bevel met lust en liefd' ontvangen; |
| Ik haak, o HEER', naar 't heil, mij toegezeid; |
| Bestier in gunst naar Uwe wet mijn gangen; |
| Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid, |
| In Uw gebod; dat is mijn hoogst verlangen. |
| 88
| Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond |
| Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen; |
| Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, |
| Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren; |
| Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond; |
| Want hij volhardt naar Uw geboon te horen. |