| 1 | Men heeft mij fel benauwd van jongs af aan. |
| Zegg' Isrel nu: men juichte, toen wij vielen. | |
| Men heeft mij reeds van jongs af leed gedaan; | |
| Geen overmacht kon m' echter ooit vernielen. |
| 2 | Men heeft mijn rug door ploegers diep geploegd, |
| Die hebben wreed hun voren lang getogen, | |
| En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd, | |
| Voor 't kermen doof, en wars van mededogen. |
| 3 | De HEER', die goed, doch ook rechtvaardig is, |
| Hieuw gunstig af der goddelozen touwen. | |
| Dat smaad hen treff', en dat hun aanslag miss'; | |
| Drijf hen terug, die Sion rampen brouwen. |
| 4 | Maak hen gelijk aan 't lichtverdorrend gras, |
| Dat hier en ginds gezien wordt op de daken; | |
| Dat, eer men 't plukt, alree verwelkerd was, | |
| Ontbloot van grond om wortels in te maken. |
| 5 | Maak z' als dat gras, waarmee de maaier nooit, |
| Wanneer hij gaart, de nijvre hand zal vullen; | |
| Dat in den oogst geen garvenbinders ooit, | |
| Bijeen gepakt, in d' armen dragen zullen. |
| 6 | Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar |
| Ooit zeggen zal: "God will' uw oogst vermeren, | |
| Dat 's HEEREN gunst zich met uw arbeid paar'; | |
| Wij zegenen u in den Naam des HEEREN." |
Berijming van 1773