
LIED 32: 1-6
1
O hoofd, bedekt met wonden,
belaan met smart en hoon,
o hoofd, ten spot ombonden
met ene doornenkroon,
eertijds gekroond met stralen
van meer dan aardse gloed,
waarlangs nu drupp'len dalen:
'k breng zeeg'nend U mijn groet!
2
Van al de last dier plagen,
met goddelijk geduld,
o Heer, door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och, zie, hoe 'k voor uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen,
m' een blik van uw gena!
3
Wat stof tot zielsverblijden,
hoe zalig is 't en goed,
dat 'k in uw bitter lijden
mijn redding vinden moet!
O, mocht ik U, mijn Leven,
daar 'k bij uw kruishout kniel,
mij zelf ten offer geven:
wat winste deed mijn ziel!
4
U zij de dank mijns harten,
U, Jezus, dierb're vriend,
voor 't dragen van die smarten,
alleen door mij verdiend!
Och, blijv', wat troost ik derve,
de hoop op U mij bij,
opdat, wanneer ik sterve,
in U mijn einde zij!
5
Als 'k eens van d' aarde scheide,
och, wijk dan niet van mij!
Als ik de doodssnik beide
och, sta dan aan mijn zij'!
En wordt mijn strijd het bangste,
laat dan in angst en pijn
uw doorgeworsteld' angste
mij tot vertroosting zijn!
6
Verschijn dan aan mijn sponde,
schenk laaf'nis in mijn nood!
Wijs m' in mijn laatste stonde
op uw verzoeningsdood!
'k Houd dan in stervenssmarte
de blik naar 't kruis gericht,
en klem dat vast aan 't harte:
zo valt het sterven licht!
Terug naar boven
LIED 33: 1-11
1
Ontsluit, o Heer, ontvlam ons hart
en wil ons kracht verlenen!
Wij denken aan uw lijdenssmart,
aan uwe liefd' en wenen.
Wat wond'ren van barmhartigheid
hebt Gij voor ons ten toon gespreid
en aan het kruis bewezen!
Uw liefd' en trouw, die 't al volbracht,
hier nooit genoeg door ons herdacht,
Zij eeuwiglijk geprezen!
2
Schoon Gij God zelf, Gods een'ge zijt,
Gij, in het vlees gekomen,
Gij hebt, daar Gij voor zondaars lijdt,
de schuld op U genomen.
't Verraad barst los, de hel genaakt,
de vriendschap slaapt, de woede blaakt,
Gij wordt beangst, verslagen:
"Mijn Vader, zo het moog'lijk zij,
och, deze beker ga voorbij!"
zo moet de God-mens klagen.
3
Uw zweet wordt bloed, Gij bukt in 't stof
gelijk een worm ter neder,
en Gij, Gij vorst van 't hemelhof,
hervat het bidden weder.
Gij voelt, daar onze straf U treft
en d' angst der ziele zich verheft,
uw hart in liefd' ontbranden.
G' ontrekt U niet aan onze schuld,
maar geeft met goddelijk geduld
U in der bozen handen.
4
Gij Isrels Vorst, Gods eigen Zoon,
gevangen en gebonden,
G' ontvangt der overtreed'ren loon,
en Gij, Gij kent geen zonden.
Men lastert U; Gij, groot van moed,
verdraagt en zwijgt. Men eist uw bloed;
Gij laat het willig stromen.
Om met dat bloed tot God te gaan,
zijt Gij, met onze vloek belaan,
in 't uur des doods gekomen.
5
Verachtelijk tentoongesteld,
maar altijd groot van harte,
verdraagt Gij valsheid, smaad, geweld
en d' allerwreedste smarte.
Men ziet in U, schoon lang verbeid,
thans geen gedaant' of heerlijkheid,
durft zelfs uw godheid schennen;
voor U, wiens trouwe nimmer zwicht,
verbergt uw vriend zijn aangezicht
en veinst U niet te kennen.
6
Gij 't offer, dat aan God behaagt,
waarop al d' offers zagen,
dat naar Gods raad de zonden draagt,
Gij draagt ook onze plagen.
Gij d' onschuld zelf, Gij duldt en zwijgt,
daar Gij voor ons ten kruisberg stijgt,
gelijk een lam ter slachting.
Gij onderging het doodsgeweld,
en duldt, dat U de woede velt,
U, Israëls verwachting.
7
Hoe klimt de nood; zij hebben wreed
uw hand en voet doorgraven,
en als U dorst, staan zij gereed
om U met gal te laven;
uw smart ontvlamt hun spotternij,
roept Gij tot God, dan lachen zij,
zij last'ren uw vertrouwen.
"Hij heeft", dus wordt uw hoop
bespot,
"Hij heeft vertrouwd op zijne God,
wat is nu zijn vertrouwen?"
8
Bij 't zwijmen van het zonnelicht,
verlaten van zijn vrinden,
verbergt Hem God zijn aangezicht,
waarin Hij troost moest vinden.
Hij riep en zweeg, nu klaagt Hij weer,
Hij roept, Gij antwoordt niet, o Heer!
Hoor aarde, hoor Hem klagen:
"Mijn God, waarom verlaat Gij mij?"
De boosheid spot en Gij, ook Gij,
mijn God, Gij laat Hem klagen.
9
Ziet heem'len, ziet Gods Een'ge aan,
van zijne God verlaten!
Die smart heb ik Hem aangedaan,
om mij werd Hij verlaten.
De mens, die U die arbeid kost,
wat is de mens, die Gij verlost,
wat hebt G' in hem gevonden?
Mijn Jezus,'t is gena alleen,
och, dat ik nooit weer als voorheen
U kruisig' door mijn zonden!
10
W' aanbidden U, Gij wankelt niet,
Gij treedt de dood zelfs nader,
en daar Gods wil aan U geschiedt,
noemt G' onze Rechter Vader.
Gij neigt het hoofd en 't aardrijk beeft,
Gij sterft en 't vege mensdom leeft,
Gij, 't eind der offeranden.
Het voorhang scheurt, de weg staat vrij,
het is volbracht: de heerschappij
des doods ligt nu aan banden.
11
Gij sterft en laat die troost ons na:
de zonden zijn vergeven.
Gij hebt voldaan op Golgotha,
dit geeft ons kracht ten leven.
Uw zoendood lenigt onze smart,
verkwikt, vertroost, versterkt ons hart,
niets heeft zo groot een waarde.
Uw zoendood zij mijn steun in nood,
mijn heil in druk, en in de dood
mijn laatste troost op aarde.
Terug naar boven
LIED 34: 1-9
1
Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten:
o Liefde, die, om zondaars te bevrijden,
zo zwaar woudt lijden!
2
'k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen.
de zonde dragen.
3
Ons hart bezwijkt, het beeft en doet ons deinzen,
ontzagg'lijk kruis, als w' aan uw wond'ren peinzen:
o Liefde, 'k zie en voel in uwe wonden
de vloek der zonden.
4
Dit slaat mijn trots, al mijn verdienste neder,
't verlaagt mij diep, maar o, 't verhoogt mij weder!
't Meldt mij mijn heil, die van Gods tegenstander
in vriend verander.
5
Mijn Heiland, laat uw Geest mij telkens leren,
hoe 'k in geloof uw kruisdood moet vereren,
om in mijn hart de liefdevlam t' ontsteken
en aan te kweken.
6
Daar G' U voor mij hebt in de dood gegeven,
hoe zou ik dan naar mijne wil nog leven?
Zou 'k U, o Heer, die voor mijn schuld woudt lijden,
mijn hart niet wijden?
7
Zou ik mijn kruis in kommervolle tijden,
de zwaarste smart dan niet geduldig lijden,
daar Gij uit liefde zo veel zware plagen
voor ons woudt dragen!
8
Hoor 'k ooit uw kruis door wereldwijzen doemen,
een ergernis of ene dwaasheid noemen,
och, dat het mij, wie ooit er spot mee drijve,
Gods wijsheid blijve.
9
Och, als ik, Heer, om mijne zonde beve,
dat dan uw kruis mij weder ruste geve:
dat kruis zij dan mijn vreed' en vreugde tevens,
o God mijns levens!
Terug naar boven
LIED 35: 1-8
1
Wie heeft op aard de prediking gehoord,
de prediking van 't vlees geworden Woord.
de Christus Gods, op Golgotha vermoord?
Wie durft geloven,
wie ziet in Hem Gods reddend' arm, van boven
tot hem gestrekt? Wie durft zijn kruis belijden,
wiens hart zich in de Lijdende verblijden,
met smaad bedekt?
2
Een rijsje, dat zo woest een storm bewoog,
een wortel uit de aarde, dor en droog,
had Hij gedaant' noch schoonheid voor het oog.
Als zij Hem zagen,
zo had Hij niets, dat d' ogen kon behagen.
Hij was veracht, d' onwaardigste der mensen!
Wie kon zich hem tot Zaligmaker wensen?
Hij was veracht.
3
O man van smart, dat ieder voor U kniel'!
Gij droegt aldus de krankheid onzer ziel;
't Was onze smart, die U ten dele viel;
ons overtreden
heeft U verwond; om d' ongerechtigheden,
door ons begaan, zijt G' in dit leed gekomen:
de tucht, die ons de vrede toe doet stromen,
die naamt Gij aan!
4
't Is heil wat uw verbrijzeling verkondt,
uw striemen zijn genezing onzer wond.
Wij dwaalden als verloren schapen rond,
elk op zijn paden,
de Heer heeft U met onze last beladen,
Gij hebt geboet! Niet Gij, slechts wij zijn schuldig,
maar Gij, Gij stort, gewillig en geduldig,
uw dierbaar bloed.
5
Gelijk een lam, dat stil ter slachtbank gaat,
gelijk een schaap zich zwijgend scheren laat,
zo deedt G' uw mond niet open onder 't kwaad,
U overkomen.
God heeft U uit het oordeel weggenomen,
toen G' elke teug des bekers hadt gedronken,
en 't zondig volk gerechtigheid geschonken
in 's Heren oog.
6
Toen was 't volbracht, volbracht voor zondaars, Heer!
Gij boogt het hoofd tot uwe ruste neer,
geen oneer trof uw heilig lichaam meer,
geen smaad der bozen.
En schoon uw graf gesteld was bij godd'lozen,
God wreekt' uw recht. De liefd' en eerbied dragen
U van het kruis, en schreiend' ogen zagen
U weggelegd.
7
O Heiland, dus gefolterd door mijn kwaad,
o Heilig', om mijn schande dus gesmaad,
wat spruit er uit uw graf een heerlijk zaad
van eeuwig leven!
Hoe veler ziel heeft U uw God gegeven
voor d' eeuwigheid, om d' eeuwig' eer te delen,
U, die U tot een offer gaaft voor velen,
bij Hem bereid!
8
't Verloste volk verheft tot U zijn hart,
Rechtvaardige, die zonde voor hen werd:
het zegent al uw wonden, smaad en smert.
Gij hebt geleden
voor snoden, Gij voor vijanden gebeden,
Gij hebt gesmacht, moest alle laaf'nis derven,
hun ziel tot troost in leven en in sterven:
het is volbracht!
Terug naar boven
LIED 36: 1-7
1
Des Konings vanen rukken voort
't geheimenis des kruises gloort:
die alle vlees het leven gaf,
legt hier naar 't vlees zijn leven af.
2
Het lijf, door nagelen verkracht,
de handen, voeten, zonder macht,
wordt hier het Offerlam geslacht,
dat allen mens verlossing bracht.
3
Hier hangt Hij aan het kruis, verwond
door lansespits. Ter zelfde stond
stroomt uit zijn zijde water, bloed,
dat ons van zonde rein'gen moet.
4
Nu is vervuld, wat Davids mond
in zijn waarachtig lied verkondt.
toen hij de volken heeft geleerd:
't is van het kruis, dat God regeert.
5
O boom, hoe blinkt gij rijk belaan,
met purper vorst'lijk aangedaan,
hoe draagt uw uitverkoren stam
de heil'ge leden van het Lam!
6
Heil altaar, heil het Offerlam,
dat heerlijkheid uit lijden nam,
waarin het leven droeg de dood
en 't leven door de dood ontsloot.
7
O zalig hout, der wereld Heer
boog zich op uwe armen neer!
Gegroet, o kruis, o een'ge hoop
in dezer tijden levensloop!
Terug naar boven
LIED 37: 1-3
1
Christus, heilig Godslam,
die der wereld zonden draagt,
ontferm U onzer!
2
Christus, heilig Godslam,
die der wereld zonden draagt,
ontferm U onzer!
3
Christus, heilig Godslam,
die der wereld zonden draagt,
geef ons uwe vrede!
Amen.
Terug naar boven
LIED 38: 1-1
1
Lam Gods, dat men onschuldig
aan 't hout des kruises slachtte,
lankmoedig en geduldig,
hoezeer men U verachtte!
De zonden woudt Gij dragen,
hoe moesten w' anders klagen!
Ontferm U onzer, o Jezus!
Geef ons den vrede, o Jezus!
Terug naar boven
LIED 39: 1-4
1
Lam Gods, dat zo onschuldig,
zo moedig en geduldig,
aan 't schand'lijk kruishout lijdt,
verdienen niet mijn zonden
die striemen en die wonden?
Ja 'k weet, dat Gij onschuldig zijt!
2
Niet Gij, neen ik moest sterven
en 's Vaders liefde derven
in eindeloze pijn!
Toen sloegt G' op mij uw ogen
in godd'lijk mededogen,
en wildet mijn Verlosser zijn.
3
Gun, dat 'k U dankbaar nader,
o Midd'laar bij de Vader.
Wat is uw liefde groot!
Gij wildet mij hergeven
het eeuwig, hemels leven,
en stierf daartoe die wrede dood.
4
O Godslam, nooit volprezen,
leer mij de zonde vrezen,
waarvoor Gij stierft aan 't kruis!
Deel mij uw zaal'ge vrede,
ja, deel m' uw hemel mede
en leid mij eens in 't Vaderhuis.
Terug naar boven
LIED 40: 1-1
1
O Lam van God, gehoond, bespot,
hebt Gij de vloek voor ons gedragen;
Gij maakt ons naar uw welbehagen
priesters, koningen onze God.
Daarom, zo wijden w' al te zaam
U heerlijkheid en huld' en ere,
kracht, lof en dank, aanbidding, Here!
Eeuwig geprezen zij uw naam!
Amen, halleluja, amen!
Terug naar boven
LIED 41: 1-13
1
Het Lam, voor ons op aard' geslacht,
is eeuwig waard t' ontvangen
de wijsheid, rijkdom, eer en kracht
en dankb're lofgezangen!
2
Hij overwon met leeuwenmoed
de hel en al haar machten,
Hij kocht ons Gode met zijn bloed
uit allerlei geslachten.
3
Triomf, als priesters naad'ren wij,
gereinigd van de zonden,
als koningen gekroond en vrij,
van alle dwang ontbonden.
4
Het Lam verwon al wat op aard'
het Godsrijk zocht te stuiten.
Triomf, triomf, het Lam is waard
Gods zegelen t' ontsluiten.
5
Hij, die als Hogepriester leeft,
en met zijn Geest ons zegent,
Hij is 't, die moed en sterkte geeft,
wat kwaad ons ook bejegent.
6
Hij meet de maat van al de smart,
die ooit ons hart bestormde,
en heeft de toegang tot dat hart,
dat Hij als Schepper vormde.
7
Die in ons oog de moeite leest,
toont ons zijn medelijden;
Hij is, als wij, verzocht geweest
en sterkt ons als wij strijden.
8
Hij is 't, die als ons lief en leed
beschikt, of wil gehengen,
om op het spoor, dat hij betreedt,
ons weer tot God te brengen.
9
Triomf, die voor ons stierf, regeert;
Hij brengt ons tot zijn Vader
en, als het graf ons stof begeert
brengt zelfs de dood ons nader.
10
Triomf, uw prikkel is, o dood,
door Jezus' dood verslonden.
Hij, die voor ons het graf ontsloot,
vernietigde de zonden.
11
Zijn Kerk, gevestigd in zijn bloed,
zal voor geen vijand bukken:
geen list, geen macht, hoe fel zij woed',
zal z' ooit aan Hem ontrukken.
12
Hij komt en draagt de gloriekroon;
God toont zijn welgevallen
en geeft aan Hem, als 's mensen Zoon,
het oordeel over allen.
13
Kom, Christenschaar, komt, waken wij!
Het voorwerp onzer zangen,
Hij, onze Rechter, is nabij:
Hij let op onze gangen.
Terug naar boven
LIED 42: 1-6
1
Noem d' overtreding mij, die Gij begaan hebt,
het kwaad, gekruiste Heer, dat Gij gedaan hebt,
waaraan uw volk U schuldig heeft bevonden,
noem mij uw zonden.
2
Gij wordt gegeseld en gekroond met doornen,
geminacht als de minste der verloornen,
en als een booswicht, die zijn straf moet dragen,
aan 't kruis geslagen.
3
Zeg mij, waarom men U aldus gehoond heeft,
U dus, mijn vorst, gescepterd en gekroond heeft!
Om voor mijn schuld verzoening te verwerven,
moest Gij dus sterven?
4
Hoe vreemd, dat voor de schapen zijner weide
de herder zelf ter slachtbank zich liet leiden,
de heer zich voor de schulden zijner knechten
aan 't kruis liet hechten.
5
O wonderbare Liefde, die ons denken
te boven gaat, wat kan mijn liefd' U schenken,
wat ooit bereiken d' arbeid mijner dagen,
dat U behage?
6
O Liefde, voor dit offer van uw leven,
wat kan ik, dan mijzelf ten offer geven,
opdat ik nooit, hetzij ik leev' of sterve,
uw liefde derve!
Terug naar boven
LIED 43: 1-3
1
Is dat, is dat mijn Koning,
dat aller vaad'ren wens,
is dat, is dat zijn kroning?
Zie, zie, aanschouw de mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen,
dat riet, die doornenkroon,
lijdt Hij die spot, die slagen,
Hij, God, uw eigen Zoon?
2
Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en die hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon;
ik sloeg Hem al die wonden,
voor mij moet Hij daar staan;
ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamm'ren aan.
3
O Jezus, man van smarten,
Gij aller vaad'ren wens,
herinner aller harten
't aandoenlijk: "Zie den mens!"
Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
't is al voor mij geschied!
Terug naar boven
LIED 44: 1-4
1
Met de tranen in haar ogen
stond de moeder diep bewogen,
bij het kruis, dat Jezus droeg.
Ach, hoe vrees'lijk was haar smarte,
toen het zwaard ging door haar harte,
en de wreedste wonden sloeg!
2
Hoe bedrukt, hoe neergeslagen
moest die zegenrijke klagen
om haar Zoon, de Zone Gods!
Ach, hoe streed zij, ach hoe kreet zij,
en wat zielepijnen leed zij:
't kruis droeg al haar roem en trots!
3
Met u plenge, met u menge
ik de tranen, die ik brenge
aan uw Zoon, mijn leven lang.
'k Wil met u mij hier verenen,
met u stenen, met u wenen,
dat ik ook uw deel ontvang'.
4
Dat het kruis mijn heil bewerke,
Jezus' dood mij krachtig sterke,
dat Hij mij gena bewijz'!
En als 't lichaam eens zal sterven,
moog mijn ziel het leven erven,
en de vreugd van 't Paradijs!
Terug naar boven
LIED 45: 1-5
1
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,
hangt ten spot van snode smaders.
Zoon des Vaders,
waar is toch uw almacht thans,
waar uw goddelijke glans?
2
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,
en Hij hangt er mijnentwegen,
mij ten zegen.
Van de vloek maakt Hij mij vrij,
en zijn sterven zaligt mij.
3
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,
ook voor mij heeft Hij zijn leven
veil gegeven.
Brand, mijn hart, ontbrand in gloed
jegens Hem, mijn hoogste goed.
4
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis,
en ik zou in droeve dagen
troost'loos klagen?
Klagen, neen! Bij dit gezicht
valt de zwaarste last mij licht.
5
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis!
'k Heb mij, heer, in dood en leven
U gegeven.
'k Leef, in vreugd en tegenheen,
'k leef en sterf voor u alleen.
Terug naar boven
LIED 46: 1-8
1
Als ik in gedachten sta
bij het kruis van Golgotha,
als ik hoor wat Jezus sprak,
voor zijn oog aan 't kruishout brak,
2
Hoe nog stervende zijn mond
troost voor vriend en moeder vond,
weet ik: "Hij vergeet ons niet,
schoon Hij stervend ons verliet."
3
Hoor ik dan, hoe Jezus bad
voor wie Hem gekruisigd had,
'k weet dan: "Bij de Heiland is
ook voor mij vergiffenis."
4
Zie ik, hoe genaad' ontving,
die met Hem aan 't kruishout hing,
'k bid, mij voelend Hem gelijk,
"Heer, gedenk mij in uw rijk!"
5
Hoor ik, hoe Hij klaagde, dat
Hem zijn God verlaten had,
'k weet dan, wat mij ook ontvall',
God mij nooit verlaten zal!
6
Hoor ik, hoe Hij riep: "Mij dorst!"
dan roep ik: "O Levensvorst,
Gij, Gij naamt de bitt're dronk,
die deez' aard verzoening schonk!"
7
Op zijn kreet: "Het is volbracht,"
antwoordt mijn aanbidding zacht:
"Jezus, ook voor mij verwierft
Gij verlossing, toen Gij stierft."
8
Hoor ik, hoe het laatst van al
Hij zijn geest aan God beval,
weet ik ook mijn geest en lot
in de handen van mijn God.
Terug naar boven
LIED 47: 1-4
1
Aan des Heren kruis te denken,
aan dat kruis uw hart te schenken,
zij u, Christen, heil'ge plicht!
Wie 't eerbiedig wil beschouwen
en het aanneemt in vertrouwen,
telt all' ijdelheden licht.
2
Zij het avond, zij het morgen,
zij het werken, zij het zorgen,
zij het vreugde, zij het pijn,
laat in stilt' en eenzaamheden,
in 't rumoer van 's werelds steden
't kruis steeds in uw harte zijn!
3
In des levens bange stonden,
bij der ziele diepste wonden,
is daar feillooz' artsenij;
als gij nergens hulp kunt vinden,
als u enge banden binden,
maakt des Heren kruis u vrij.
4
Ja, o Heer, aan U te denken
en aan U mijn hart te schenken,
hoger roeping is er niet!
Mag ik U maar bij mij weten,
nooit uw lichtend kruis vergeten,
tot mijn uiterst' uur vervliet.
Terug naar boven
LIED 48: 1-4
1
Als ik het wond're kruis aanschouw,
waar Christus stierf, die 't al volbracht,
dan voel ik, hoe 'k mijn trots berouw
en 't rijkst gewin slechts schade acht.
2
Verbied mij dan elk pralend woord
voor al wat niet uw kruis is, Heer,
en laat mij, wat m' op aard bekoort,
ten offer leggen voor U neer!
3
Te klein is 't offer, dat ik bood,
al waar' al 't goed der aard' mijn deel.
Uw wond're liefde, godd'lijk groot,
eist alles, ja mijzelf geheel.
4
Lof Hem, die door zijn kruis en dood
gena voor zondaars heeft bereid!
Lof Hem en zijne liefde groot,
alom en tot in eeuwigheid!
Terug naar boven
LIED 49: 1-4
1
Jezus, leven van mijn leven,
Jezus, dood van mijne dood,
die voor mij U hebt gegeven,
in de bangste zielennood,
opdat ik niet hoop'loos sterven,
maar uw heerlijkheid zou erven,
duizend, duizend maal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer!
2
Gij, o Jezus, hebt gedragen
lasteringen, spot en hoon,
zijt gebonden en geslagen,
Gij, des Vaders eigen Zoon,
om van schuld en eeuwig lijden
mij, verloor'ne, te bevrijden,
duizend, duizend maal, o Heer,
zij u daarvoor dank en eer!
3
Heer, verzoener van mijn zonden,
Heiland, die mij hebt gezocht,
die mijn boeien hebt ontbonden,
en voor God mij vrijgekocht,
ik, onrein in schuld verloren,
ben opnieuw in U geboren:
duizend, duizend maal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer!
4
Dank, mijn Heiland, voor uw lijden,
voor uw bitt're bange nood,
voor uw heilig, biddend strijden,
voor uw trouw tot in de dood,
voor de wonden, U geslagen,
voor het kruis, door U gedragen;
duizend, duizend maal, o Heer,
zij U daarvoor dank en eer!
Terug naar boven
LIED 50: 1-4
1
Diep, o God, in 't stof gebogen,
schuldig voor uw hoog gericht,
vloeien tranen uit onz' ogen,
dekt de schaamt' ons aangezicht.
't Zondig stof ontvangt gena:
Jezus sterft op Golgotha!
Voor een wereld, diep verloren,
geeft God zijne Eengeboren'.
2
Om van zond' ons te bevrijden,
stierf Gods Zoon de wreedste dood.
Wie zijn hart Hem toe wil wijden,
houde, wat zijn mond gebood.
Hoe de zonde ons omring',
Jezus, dat uw liefd' ons dring'
eeuwiglijk voor U te leven,
waar G' uzelf ons hebt gegeven!
3
Jezus, uw verzoenend sterven
blijft het rustpunt van ons hart.
Als wij alles, alles derven,
blijft uw liefd' ons bij in smart.
Och, wanneer mijn oog eens breekt,
't angstig doodszweet van mij leekt,
dat uw bloed mijn hoop dan wekke
en mijn schuld voor God bedekke.
4
Vader, vol van mededogen,
zie ons arme zondaars aan,
sla op ons uw vriend'lijk' ogen:
Jezus heeft voor ons voldaan.
Ja, Hij heeft voor ons voldaan,
God neemt ons als zondaars aan.
't Zelfde recht, dat Hem deed sterven,
doet ons 't eeuwig leven erven.
Terug naar boven
LIED 51: 1-3
1
Middelpunt van ons verlangen,
trooster van 't ontrust gemoed,
Jezus, onze dankb're zangen
loven uwe liefdegloed.
Gij woudt van de hemel dalen
op deez' diep bedorven aard',
en voor ons de schuld betalen,
die ons bang gemoed bezwaart.
2
Liefde, met wat medelijden
zaagt Gij Adams kind'ren aan!
Voor die zondaars woudt Gij strijden,
om hen van de vloek t' ontslaan.
Ja, Gij stortte bloed en tranen
in het bang Gethsemane,
om voor ons de weg te banen
naar 't gewest van rust en vree.
3
Liefd', in U is al ons leven,
Gij, Gij zijt ons hoogste goed!
Ja, uw kruis heeft ons gegeven
wat ons eeuwig leven doet.
O, hoe zijn w' aan U verbonden,
Jezus, Redder, 's Vaders Zoon,
onze harten, onze monden
juichen dankbaar tot uw troon!
Terug naar boven
LIED 52: 1-4
1
Komt, knielen wij voor Jezus samen
met vrolijk uitzicht op ons lot!
Het is volbracht, volbracht, ja, amen,
het is voor ons volbracht bij God.
Het grote werk, dat Hij aanvaardde,
al d' eeuwen door met smart verwacht,
dat is volbracht: juich hemel, aarde,
juicht zondaars, 't is voor u volbracht!
2
Gij, Jezus, hebt de last gedragen,
die zond' en schuld te dragen gaf.
God zag uw werk met welbehagen
en wendt van ons zijn straffen af.
Wij schuldig, door God uitgedreven,
wij bleven ver van Eden staan,
maar 't kruis werd ons de boom van 't leven;
die wees de Vader zelf ons aan.
3
Wat d' oude godsspraak deed verwachten,
wat ooit Gods recht gevorderd had,
hebt Gij volbracht met al uw krachten,
volbracht op 't moeilijk lijdenspad.
Geen vlek, geen mistred zagen d' ogen
der vlekkeloze Majesteit,
en 't vonnis, dat u zal verhogen,
is d' uitspraak der rechtvaardigheid.
4
Wij willen need'rig Gode leven,
U volgen, waar Gij ons geleidt,
ons U geheel ten offer geven
met nooit volbrachte dankbaarheid.
Getrouwe Leidsman, sla ons gade,
Voleinder, laat door uwe kracht
het heerlijk werk van Gods genade
in ons ook eenmaal zijn volbracht!
Terug naar boven
Enige Gezangen, toegevoegd aan de Psalmberijming van 1773
1
O hoofd, bedekt met wonden,
belaan met smart en hoon!
O hoofd, ten spot ombonden
met ene doornenkroon!
Eertijds gekroond met stralen
van meer dan aardsen gloed.
Waarlangs nu drupp'len dalen.
'k Breng zeeg'nend U mijn groet!
2
Van al den last dier plagen,
met Goddelijk geduld,
o Heer, door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och, zie hoe 'k voor uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen,
m' een blik van uw gena!
3
Als 'k eens van d' aarde scheide,
och, wijk dan niet van mij!
Als ik den doodssnik beide,
och, sta dan aan mijn zij!
En wordt mijn strijd het bangste,
laat dan in angst en pijn
uw doorgeworsteld' angste
mij tot vertroosting zijn!
4
Verschijn dan aan mijn sponde,
schenk laaf'nis in mijn nood!
Wijs m' in mijn laatste stonde
op uw verzoeningsdood!
'k Houd dan in stervenssmarte
den blik naar 't kruis gericht,
en klem dat vast aan 't harte:
zo valt het sterven licht!
Terug naar boven
Gezang 13: 1-3
1
Is dat, is dat mijn Koning?
Dat aller vaad'ren wens?
Is dat, is dat zijn kroning?
Zie, zie, aanschouw den mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen,
dat riet, die doornenkroon?
Lijdt Hij dien smaad, die slagen?
Hij, God, uw eigen Zoon!
2
Ja, ik kost Hem die slagen,
die smarten en dien hoon;
ik doe dat kleed Hem dragen,
dat riet, die doornenkroon.
Ik sloeg Hem al die wonden,
voor mij moet Hij daar staan,
ik deed door mijne zonden
Hem al die jamm'ren aan.
3
O Jezus! Man van smarten,
Gij aller vaad'ren wens,
herinner aller harten
't aandoenlijk: 'Zie, de mens!'
Laat mij toch nooit vergeten
die kroon, dat kleed, dat riet;
dit trooste mijn geweten:
't is al voor mij geschied.
Terug naar boven
Gezang 14: 1-1
1
Jezus, uw verzoenend sterven
blijft het rustpunt van ons hart.
Als wij alles, alles derven,
blijft uw liefd' ons bij in smart.
Och, wanneer mijn oog eens breekt.
't Angstig doodszweet van mij leekt,
dat uw bloed mijn hoop dan wekke,
en mijn schuld voor God bedekke.
Terug naar boven
Gezang 15: 1-1
1
In het kruis van 'k eeuwig roemen!
En geen wet zal mij verdoemen;
Christus droeg den vloek voor mij!
Christus is voor mij gestorven,
heeft gena voor mij verworven!
'k Ben van dood en zonde vrij!
Terug naar boven
Gezang 16: 1-6
1
God, enkel licht,
voor wiens gezicht
niets zuiver wordt bevonden,
ziet ons bevlekt,
met schuld bedekt,
misvormd door duizend zonden.
2
Der sterren pracht
is bij Hem nacht,
hoe hel zij schitt'ren mogen;
en wij, belaan
met euveldaan,
wat zijn wij in zijn ogen?
3
Heer, waar dan heen?
Tot U alleen!
Gij zult ons niet verstoten;
uw eigen Zoon
heeft tot uw troon
den weg ons weer ontsloten.
4
Ja, amen! Ja,
op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden,
en door zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.
5
Maar, ach! Wat smart!
Dit dwaalziek hart
doet ons gedurig vrezen.
O God! G' aanschouwt
hoe 't ons berouwt
steeds weer bevlekt te wezen.
6
Wil, U ter eer,
steeds meer en meer
't geloof in ons versterken!
Dan zullen wij,
gereed en blij,
uit liefde 't goede werken.
Terug naar boven
Gezang 17: 1-1
1
U, heilig Godslam, loven wij,
Gij hebt voor ons aan 't kruis geleden,
Gij doet ons tot den Vader treden
als koningen en priesters, Gij!
Gij, Heiland, kocht ons met uw bloed.
Dies brengen w' U den dank en d' ere,
en werpen w' in aanbidding, Here!
Al onze kronen aan uw voet.
Ja, amen, ja! Halleluja!
Terug naar boven
Gezang 18: 1-4
1
Halleluja! Lof zij het Lam!
Die onze zonden op zich nam!
Wiens bloed ons heeft geheiligd!
Die dood geweest is, en Hij leeft!
Die 't volk, dat Hij ontzondigd heeft,
in eeuwigheid beveiligt!
2
Den Koning, op des Vaders troon,
den Eerstgeboren uit de doon,
den Bloed- en Heilgetuige!
Der vorsten Vorst, der heren Heer,
zij heerschappij en dank en eer!
Dat alle knie Hem buige!
3
Lof zij het Lam, Gods Metgezel,
uit Davids zaad, d' Immanuël!
God, in het vlees verschenen!
In Hem, die wederkomen zal,
in Hem aanbidde 't gans heelal
Jehova den Drie-enen!
4
Aanbidt den Vader in het Woord!
Aanbidt den Zoon, aan 't kruis doorboord
Aanbidt den Geest uit beiden!
Van zijn gemeenschap, zijn gena,
zijn liefd' en trouw, Halleluja!
Zal ons geen schepsel scheiden.
Terug naar boven
Wie zingt mee?
LIED 108: 1- 8
Als ik in gedachten sta
1
Als ik in gedachten sta
Bij het kruis van Golgotha,
Als ik hoor wat Jezus sprak
Voor Zijn oog aan ’t kruishout brak.
2
Hoe nog stervende Zijn mond
Troost voor vriend en moeder vond,
Weet ik: “Hij vergeet ons niet,
Schoon Hij stervend ons verliet.’
3
Hoor ik dan, hoe Jezus bad
Voor wie Hem gekruisigd had,
t weet dan: ‘Bij de Heiland is
ook voor mij vergiffenis.”
4
Zie ik, hoe genaad’ ontving,
Die met hem aan ’t kruishout hing,
k bid, mij voelend hem gelijk,
“Heer, gedenk mij in Uw rijk!’
5
Hoor ik, hoe Hij klaagde, dat
Hem Zijn God verlaten had,
k weet dan, wat mij ook ontvall’,
God mij nooit verlaten zal!
6
Hoor ik, hoe Hij riep: ‘Mij dorst!’
Dan roep ik: “O Levensvorst,
Gij, Gij naamt de bitt’re dronk,
Die deez’ aard verzoening schonk!”
7
Op Zijn kreet: “Het is volbracht!”,
Antwoordt mijn aanbidding zacht:
“Jezus, ook voor mij verwierdt
Gij verlossing, toen Gij stierft.”
8
Hoor ik, hoe het laatst van al
Hij Zijn geest aan God beval,
Weet ik ook mijn geest en lot
In de handen van mijn God.
Terug naar boven
LIED 109: 1- 3
Is dat, is dat mijn Koning?
1
Is dat, is dat mijn Koning?
Dat aller vaad’ren wens?
Is dat, is dat Zijn kroning?
Zie, zie aanschouw de mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen?
Dat riet, die doornenkroon?
Lijdt Hij die smaad, die slagen,
Hij, God, Uw eigen Zoon?
2
Ja, ik kost Hem die slagen,
Die smarten en die hoon;
Ik doe dat kleed Hem dragen,
Dat riet, die doornenkroon;
Ik sloeg Hem al die wonden,
Voor mij moet Hij daar staan;
Ik deed door mijne zonden
Hem al die jamm’ren aan.
3
O Jezus! Man van smarten,
Gij, aller vad’ren wens!
Herinner aller harten,
t aandoenlijk: “Zie de mens!”
Laat mij toch nooit vergeten
Die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
t Is al voor mij geschied!
Terug naar boven
LIED 110: 1- 4
’t Is middernacht
1
t Is middernacht, en in de hof
buigt, tot de dood bedroefd, in ’t stof
de Levensvorst; in Zijn gebeên
doorworsteld Hij Zijn strijd alleen.
2
t Is middernacht, maar hoe Hij lijdt,
Zijn jong’ren slapen bij die strijd;
En derven, afgemat in rouw,
De aanblik op des Meesters trouw.
3
t Is middernacht, maar Jezus waakt,
en ’t zielelijden dat Hij smaakt,
bant uit Zijn hart de bede niet:
Mijn Vader, dat Uw wil geschied’
4
t Is middernacht, en ’t Vaderhart
sterkt en verstaat de Man van smart,
Die ’t enig lijden, dat Hij torst,
ten eind doorstrijdt als Levensvorst.
Terug naar boven
LIED 111: 1-6
Kruis van Jezus, stille kracht
1
Kruis van Jezus, stille kracht,
Die mij tot de Vader bracht,
Spreid Uw armen overal,
Opdat elk Hem loven zal.
2
Kruis van Jezus, stille kracht,
Schijnend in des zondaarsnacht
Teken van des mensen Zoon,
Spreid Uw glorie nu ten toon.
3
Kruis van Jezus, stille kracht,
Zie, hoe alles naar U smacht;
Wanneer wordt hij, die nog dwaalt,
Door Uw lichtglans eens bestraald?
4
Kruis van Jezus antwoordt zacht:
“Waarop is het, dat gij wacht?
Draag Uw deel der wereldsmart;
Laat mij heersen in uw hart!”
Terug naar boven
LIED 112: 1- 3
Leer mij, o Heer
1
Leer mij, o Heer, Uw lijden recht
betrachten,
In deze zee verzinken mijn gedachten:
O Liefde die, om zondaars te bevrijden,
Zo zwaar woudt lijden!
2
k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen,
de zonde dragen.
3
Hoor ’t ooit Uw kruis door wereldwijzen doemen,
Een ergernis of ene dwaasheid noemen,
Och, dat het mij, wie ooit er spot mee drijve,
Gods wijsheid blijve.
Terug naar boven
LIED 113: 1-3
Mijn Verlosser hangt aan ‘t kruis
1
Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
Hangt ten spot van snode smaders,
Zoon des Vaders,
Waar is toch Uw almacht thans,
Waar Uw goddelijke glans.
2
Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
En Hij hangt er mijntwegen,
Mij ten zegen.
Van de vloek maakt Hij mij vrij,
En Zijn sterven zaligt mij.
3
Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
Ook voor mij heeft Hij Zijn leven
Veil gegeven.
Brand, mijn hart, ontbrand in gloed
Jegens Hem, mijn hoogste goed.
4
Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
En ik zou in droeve dagen
Troost’loos klagen?
Klagen, neen! Bij dit gezicht
Valt de zwaarste last mij licht.
5
Mijn Verlosser hangt aan ’t kruis,
k Heb mij, Heer, in dood en leven
U gegeven.
k Leef, in vreugd en tegenheên,
k leef en sterf voor U alleen.
Terug naar boven